24. Gereformeerd

Zo’n woord roept heel diverse associaties op en uit de reacties van Henri, Garrie, Margriet, Trix en Dieneke op kroniekje 23 zijn er al veel af te leiden: verhalen, verveling, vertrouwen, warmte, kilte, dwang, zingen, cultuur, om er maar een paar te noemen. Als je er Stef Bos naar zou vragen, zou je waarschijnlijk ook iets heel herkenbaars te horen krijgen – http://www.youtube.com/watch?v=tuSaAoZ9mpA En, een aanvulling in 2017, dit natuurlijk: https://www.youtube.com/watch?v=KW_93hjqScc“>

In Rijsoord heeft de Doleantie in de jaren tachtig van de negentiende eeuw diep ingegrepen en voor verhitte gemoederen gezorgd. Wie komt het beeld bekend voor van de stoelpoot die als wapen in de mouw werd meegenomen onderweg naar een vergadering? Ik meen dat het ook daar was dat over het zielenheil gesproken werd in termen van “Och, mocht het nog eens komen staan te gebeuren …” (dat ik gered zou zijn).

In het noorden, enige decennia eerder, was overgrootvader Klaas niet vanaf het begin bij de Afscheiding betrokken, hij was toen een klein kereltje in Bedum en zijn ouders bleven gewoon Nederlands hervormd. Toen Klaas en zijn eerste vrouw Klaaske Velthuis met hun eerste zoontje Pieter in april 1866 van Bedum naar Winsum verhuisden stonden ze nog steeds te boek als Nederlands hervormd. Een paar maanden daarna, in juli 1866, overleed Pieter. Dat was tijdens het hoogtepunt van een cholera-epidemie die ook Winsum zwaar heeft getroffen. Op een lange lijst met choleraslachtoffers komt hij niet voor, maar zijn overlijden moet een diep verdriet hebben betekend voor zijn ouders. Ergens tussen 1866 en 1870 moet het gezin zijn overgegaan naar de afgescheiden gemeente in Winsum, want in 1870 trad opa Klaas toe tot de kerkenraad van die gemeente, een kerkenraad die over de cholera-epidemie aan het gemeentebestuur had geschreven “… om U Edel Achtbaren te herinneren op grond van Gods Woord, den Bijbel, dat het onze zonden zijn, die ons zulke oordelen veroorzaken: God laat zich niet bespotten, een langen tijd laat Hij de zonden dikmaals toe totdat de maat der ongerechtigheid vol is en dan komt Hij met Zijn slaande hand; …”
De brief dringt er bij het gemeentebestuur op aan om
1. de sabbatsrust te handhaven,
2. de harddraverijen op zaterdag te verbieden omdat het “sabbatschenden” daarmee direct verbonden is en
3. het vloeken, tieren en schelden door straatjongens tegen te gaan,
dat alles om Gods toorn af te wenden.
De brief is gedateerd 25 July 1866, één dag voor het overlijden van Pietertje.

Tenslotte nog iets verder terug in de tijd. Het komt uit een verslag van de stadsschout van de stad Groningen van november 1834, vlak voor de Afscheiding in de stad. De stadsschout heeft van de commissaris van politie opdracht gekregen om te onderzoeken of in de stad ook bijeenkomsten van godsdienstige gezelschappen plaatsvinden, meer in het bijzonder van “Koksiaanse” snit (volgelingen van Hendrik de Cock werden nog heel lang Koksianen genoemd), die zijn namelijk verboden. Uit het verslag: “Ik heb mij dan begeven op zondagavond omstreeks zes uur, zijnde de 23e november 1834, met de bediende van de Nachtschout, W.H. Hendriks in de Turftorenstraat, aangezien mij bekend was dat nu en dan aldaar ten huize van J. Meiners een Godsdienstig gezelschap te zamen kwam. Gekomen voor de behuizing van J. Meiners, hoorden wij een menigte daar in huis Psalmen zingen. …” Op een gegeven moment houdt het zingen op. Ze horen iemand spreken en gaan de openstaande voordeur binnen. Het spreken komt van een kamer boven. Ze roepen “Volk!”, maar niemand antwoordt en ze gaan de trap op en de kamer binnen “…alwaar wij vonden een partij mensen, die alle, met de handen gevouwen, zuchtende, de ogen gesloten hadden. Eén stond overeind, hard op te bidden met de ogen gesloten, zoodat wij ons wel 1/4 uur op de kamer bevonden, zonder dat iemand der aanwezigen ons ontdekte, totdat ik eindelijk tegen de Spreker of Bidder zei, dat ik hem verzocht Amen te zeggen en op te houden, waarop alle aanwezigen de ogen opensloegen en ons toen ontdekten.” De aanwezigen krijgen de opdracht de kamer te verlaten, maar weigeren. De stadsschout haalt versterking en de aanwezigen worden gedwongen de bijeenkomst te beëindigen. Degene in wiens huurkamer men bijeenkwam krijgt uiteindelijk een boete van 25 gulden exclusief 2 gulden 93,5 proceskosten.

Vervolging, gezucht, ultieme nederigheid, angst voor de toorn Gods: dat zijn allemaal stukjes van onze geschiedenis. Dat is allemaal in onze genen gekropen (in elk geval in de mijne).


Marius van Dokkum, Dansje in de kerk
http://www.mariusvandokkum.nl

Dit “Dansje in de kerk” kreeg ik onlangs van een vriendin. Waarom raakte het me zo? Eerst dacht ik: omdat dat meisje gehoor geeft aan haar innerlijke stem, ondanks de afkeuring van “de kerk”. Maar misschien is het andersom en ontroert het meisje me omdat ze door gehoor te geven aan haar innerlijke stem de echte boodschap van de kerk weerspiegelt, ontdaan van het stof der eeuwen.

Bronnen:
– H.B. Gerritsma, Gereformeerde kerk van Winsum-Obergum 1843-1993;
– Dr J. Wesseling, Afscheiding en Doleantie in de stad Groningen.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *